6d. Aanwijsbeschikking Nouryon 2020

Aanwijsbeschikking

Bedrijfsbrandweer

Nouryon Chemicals B.V.

Oosterhorn 4

9936 HD  Delfzijl

Behorende bij het besluit van het Algemeen Bestuur van Veiligheidsregio Groningen,

d.d. 28 februari 2020

1. Onderwerp

Op grond van artikel 31 Wet veiligheidsregio’s beschikt het bestuur van Veiligheidsregio Groningen over de bevoegdheid om een inrichting die bij een brand of ongeval een bijzonder gevaar voor de openbare veiligheid op kan leveren, aan te wijzen als bedrijfsbrandweerplichtig. Artikel 31 van de Wet veiligheidsregio’s is uitgewerkt in hoofdstuk 7 van het Besluit veiligheidsregio’s. Hierin is bepaald welke inrichtingen kunnen worden aangewezen, welke eisen er aan de bedrijfsbrandweerorganisatie gesteld kunnen worden en welke procedure gevolgd moet worden om een inrichting aan te wijzen. De regionale invulling van de aanwijsbevoegdheid uit artikel 31 Wet veiligheidsregio’s is vastgelegd in het Aanwijsbeleid Bedrijfsbrandweren, zoals vastgesteld door het Algemeen Bestuur van Veiligheidsregio Groningen op 22 juni 2018.

2. Overwegingen

In de beoordeling om voorgenoemde inrichting wel of niet aan te wijzen als bedrijfsbrandweerplichtig, heeft het Algemeen Bestuur van Veiligheidsregio Groningen het volgende in overweging genomen:

De actuele vergunningssituatie

Gedeputeerde Staten van de Provincie Groningen hebben op 6 oktober 2015 een omgevingsvergunning afgegeven op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (kenmerk 2015-44153) voor de inrichting van Akzo Nobel Industrial Chemicals B.V. MEB, gelegen aan de Oosterhorn 4 te Delfzijl, op grond waarvan het aanwezig hebben en werken met gevaarlijke stoffen is toegestaan.

Gedeputeerde Staten van de Provincie Groningen hebben op 17 februari 2004 een omgevingsvergunning afgegeven op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (kenmerk 2004-02780/8/A.14, MV) voor de inrichting van Akzo Nobel Industrial Chemicals B.V. MCA, gelegen aan de Oosterhorn 4 te Delfzijl, op grond waarvan het aanwezig hebben en werken met gevaarlijke stoffen is toegestaan.

Met ingang van 2019 werken bovengenoemde inrichtingen onder de naam Nouryon Chemicals B.V. Nouryon Chemicals B.V. valt op basis van de vergunde activiteiten onder de werkingssfeer van het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (Brzo 2015). Voor de inrichting geldt een verplichting tot het opstellen van een Veiligheidsrapport – zoals bedoeld in artikel 10 van het Brzo 2015 – en wordt daarmee als hogedrempelinrichting aangemerkt.

De actuele situatie bedrijfsbrandweer

Het Besluit veiligheidsregio’s benoemt in artikel 7.1 categorieën inrichtingen die voor een aanwijzing als bedrijfsbrandweerplichtig in aanmerking komen. Nouryon Chemicals B.V. is een inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Brzo 2015. Op grond van artikel 7.1, aanhef en onder a, van het Besluit veiligheidsregio’s komt deze inrichting in aanmerking voor een aanwijzing.

Voor Nouryon Chemicals B.V. geldt tot het ingaan van voorliggende beschikking, een bedrijfsbrand-weeraanwijzing als vastgelegd in de vigerende beschikking, afgegeven door het Bestuur van Veiligheidsregio Groningen en in werking tredend op 1 maart 2013.

Het bedrijfsbrandweerrapport

Op 22 juni 2018 is het nieuwe ‘Aanwijsbeleid Bedrijfsbrandweren’[1] vastgesteld door het Algemeen Bestuur van Veiligheidsregio Groningen en daarmee in werking getreden. Het vastgestelde aanwijs-beleid verplicht het bestuur van Veiligheidsregio Groningen uitgegeven aanwijsbeschikkingen op basis van dit nieuwe beleid te actualiseren.

Op 27 juni 2018 is een gezamenlijke bijeenkomst belegd met vertegenwoordigers van alle aangewezen inrichtingen op het ChemiePark Delfzijl, Falck Fire Services en Veiligheidsregio Groningen. Tijdens deze bijeenkomst is het nieuwe aanwijsbeleid toegelicht, is het actualisatietraject inzichtelijk gemaakt en is vastgesteld dat het bedrijfsbrandweerrapport van Nouryon Chemicals B.V. niet meer actueel is en een Nouryon Chemicals B.V. nieuw en geactualiseerde bedrijfsbrandweerrapportage moet overleggen aan het bestuur van Veiligheidsregio Groningen.

Op 22 november 2018 heeft Nouryon Chemicals B.V. het nieuwe bedrijfsbrandweerrapport (revisie 0.3, d.d. 13 november 2018) aan Veiligheidsregio Groningen overlegd. Op 28 november 2018 is, ter verificatie van de bedrijfsbrandweerscenario’s, het bedrijfsbrandweerrapport van Nouryon Chemicals B.V. inhoudelijk besproken door vertegenwoordigers van Nouryon Chemicals B.V., Veiligheidsregio Groningen en Omgevingsdienst Groningen (t.b.v. de aansluiting van de aanwijzing op de Omgevingsvergunning milieu). Vastgesteld is dat om het bedrijfsbrandweerrapport in behandeling te kunnen nemen aanvullingen op het rapport nodig zijn.

Op 21 december 2018 heeft Nouryon Chemicals B.V. een aangevuld bedrijfsbrandweerrapport (revisie 1.0, d.d. 12 december 2018) overlegd aan Veiligheidsregio Groningen, met het verzoek deze in behandeling te nemen. Het aangevulde bedrijfsbrandweerrapport is door Veiligheidsregio Groningen volledig bevonden en in behandeling genomen. Hiermee is vastgesteld dat alle betrokken partijen voornoemde bedrijfsbrandweerrapportage beschouwen als zijnde de definitieve versie van dit rapport waarop dit besluit is gebaseerd.

De Inhoudelijke beoordeling van het bedrijfsbrandweerrapport

Van de rapportage inzake de bedrijfsbrandweer is een ambtelijke analyse gemaakt d.d. 11 april 2019[2], die mede basis is voor het oordeel van het dagelijks bestuur omtrent een eventuele plicht van onderstaande inrichting tot het instellen van een bedrijfsbrandweer. Voor de ambtelijke analyse is gebruik gemaakt van het toetsingskader voor het beoordelen van een bedrijfsbrandweerrapportage welke wordt gevormd door PGS 6 “Aanwijzingen voor implementatie van BRZO 2015”, in het bijzonder bijlage I “Brandweerscenario’s”, en de Werkwijzer Bedrijfsbrandweer 2013. De bedrijfsbrandweerrapportage is inhoudelijk beoordeeld op:

  • de geloofwaardigheid van de scenario’s;
  • de uitwerking van de effecten (effectenanalyse);
  • de keuze en uitwerking van de bestrijdingsstrategie (bestrijdingsanalyse);
  • de bepaling van de benodigde middelen;
  • het benodigde personeel en de organisatie (taakanalyse).

Op basis van de verplichte rapportage en de ambtelijke analyse, is geoordeeld dat bij Nouryon Chemicals B.V. in geval van brand of ongeval de volgende geloofwaardige scenario’s zonder doelmatige inzet van een bedrijfsbrandweer een bijzonder gevaar op kunnen leveren voor de openbare veiligheid zoals bepaald in artikel 7.3, lid 1, van het Besluit veiligheidsregio’s:

Geloofwaardig scenario 1: Procesinstallatie – Vrijkomen toxische vloeistof of gas

Het scenario ‘Procesinstallatie – Vrijkomen toxische vloeistof of gas’ is geloofwaardig en maatgevend voor de personele component van de bedrijfsbrandweer

Geloofwaardig scenario 2: Opslagtanks – Tankbrand

Het scenario ‘Opslagtanks – Tankbrand’ is geloofwaardig en maatgevend voor materiele component van de bedrijfsbrandweer.

Geloofwaardig scenario 3: Tankputten – Brand cup Azijnzuur

Het scenario ‘Tankputten – Brand cup Azijnzuur’ is geloofwaardig, maar niet maatgevend voor de personele en/of materiele component van de bedrijfsbrandweer.

Geloofwaardig scenario 4: Tankputten – Brand Tankput Ethanol

Het scenario ‘Tankputten – Brand Tankput Ethanol’ is geloofwaardig, maar niet maatgevend voor de personele en/of materiele component van de bedrijfsbrandweer.

Geloofwaardig scenario 5: Tankputten – Vrijkomen toxische stof Azijnzuur

Het scenario ‘Tankputten – Vrijkomen toxische stof Azijnzuur’ is geloofwaardig, maar niet maatgevend voor de personele en/of materiele component van de bedrijfsbrandweer.

Geloofwaardig scenario 6: Tankputten – Vrijkomen toxische stof Ethanol/MCA

Het scenario ‘Tankputten – Vrijkomen toxische stof Ethanol/MCA’ is geloofwaardig, maar niet maatgevend voor de personele en/of materiele component van de bedrijfsbrandweer.

Geloofwaardig scenario 7: Leidingen – Lekkage toxische vloeistof of gas uit leidingen

Het scenario ‘Tankputten – Lekkage toxische vloeistof of gas uit leidingen’ is geloofwaardig en maatgevend voor de materiele component van de bedrijfsbrandweer.

Geloofwaardig scenario 8: Verlading (bulk) – Fakkelbrand

Het scenario ‘Verlading (bulk) – Fakkelbrand’ is geloofwaardig, maar niet maatgevend voor de personele en/of materiele component van de bedrijfsbrandweer.

Geloofwaardig scenario 9: Verlading (bulk) – Plasbrand

Het scenario ‘Verlading (bulk) – Plasbrand’ is geloofwaardig, maar niet maatgevend voor de personele en/of materiele component van de bedrijfsbrandweer.

Geloofwaardig scenario 10: Verlading (bulk) – Verlading toxische vloeistof MCA vrachtwagen

Het scenario ‘Verlading (bulk) – Verlading Toxische vloeistof MCA vrachtwagen’ is geloofwaardig, maar niet maatgevend voor de personele en/of materiele component van de bedrijfsbrandweer.

Geloofwaardig scenario 11: Verlading (bulk) – Verlading toxische vloeistof MCA spoorketel

Het scenario ‘Verlading (bulk) – Verlading toxische vloeistof MCA spoortketelwaogn’ is geloofwaardig, maar niet maatgevend voor de personele en/of materiele component van de bedrijfsbrandweer.

3. Adviezen Wettelijk Adviseurs

Op basis van voorgenoemde ambtelijke analyse van het bedrijfsbrandweerrapport is een ontwerp-aanwijsbeschikking opgesteld.

In overeenstemming met artikel 7.2, lid 3, en artikel 7.3, lid 2, van het Besluit veiligheidsregio’s zijn de (wettelijke) adviseurs in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen op de ontwerp-aanwijsbeschikking. Hierbij is de ontwerp-aanwijsbeschikking met de brandweerrapportage toegezonden aan:

  • Inspectie SZW, Directie Major Hazard Control;
  • College van B&W van de Gemeente Delfzijl;
  • Bevoegd Gezag Wabo, Provincie Groningen.

Naar aanleiding hiervan zijn de volgende adviezen ontvangen en meegenomen in het besluit:

              Advies Inspectie SZW, Directie Major Hazard Control:

              Geen advies.

Advies College B&W, Gemeente Delfzijl:

              Geen advies.

Advies Bevoegd Gezag Wabo, Provincie Groningen:

              Akkoord met voornemen en geen reden tot nader advies (brief d.d. 4 oktober 2019).

4. Zienswijze Nouryon Chemicals B.V.

Conform het bepaalde in artikel 7.3, lid 2, van het Besluit veiligheidsregio’s, is het hoofd of de bestuurder van de inrichting in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord en haar zienswijze op de ontwerp-aanwijsbeschikking kenbaar te maken.

Nouryon Chemicals B.V. heeft aangegeven geen gebruik te willen maken van een hoorzitting.

Op enkele tekstuele wijzingen na, was Nouryon Chemicals B.V. akkoord met de concept-aanwijzing.

5. Conclusie, Besluit en Bezwaar

Conclusie

Uit de genomen overwegingen en in acht neming van de adviezen van de wettelijk adviseurs, is het bestuur van Veiligheidsregio Groningen tot de conclusie gekomen dat Nouryon Chemicals B.V. een inrichting is die bij een brand of ongeval een bijzonder gevaar voor de openbare veiligheid op kan leveren. Uit de geloofwaardige incidentscenario’s is gebleken dat door binnen de inrichting gebezigde activiteiten een schade in de omgeving van de inrichting kan ontstaan die beduidend groter is dan de schade die optreedt door mogelijke ongevallen in de betrokken omgeving zelf en waarop de overheidsbrandweer is berekend. Hiermee is aan het aanwijscriterium van artikel 31 Wet veiligheidsregio’s voldaan. Door het opleggen van voorschriften zoals bedoeld in artikel 7.3, lid 5, Besluit veiligheidsregio’s, wordt een bedrijfsbrandweer gevormd waarmee de omgevingsschade bij het optreden van een van de voorgenoemde scenario’s beperkt, dan wel voorkomen kan worden.

Besluit

Op grond van artikel 31 Wet veiligheidsregio’s, juncto artikel 7.3 Besluit veiligheidsregio’s, besluit het bestuur van veiligheidsregio Groningen om Nouryon Chemicals B.V., gelegen aan de Oosterhorn 4 te Delfzijl, aan te wijzen als bedrijfsbrandweerplichtige inrichting en dient zij met het in werking treden van deze beschikking, te beschikken over een bedrijfsbrandweer die voldoet aan de voorschriften als beschreven in onderdeel 6 van deze beschikking.

Bezwaar

Op grond van de Algemene wet bestuursrecht kunt u tegen dit besluit schriftelijk bezwaar maken bij het dagelijks bestuur van de Veiligheidsregio Groningen.

De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken en begint op de dag, gelegen na de datum van verzending van dit besluit.

Uw bezwaarschrift moet zijn ondertekend en moet in ieder geval bevatten:

  1. uw naam en adres;
  2. de datum;
  3. een aanduiding/omschrijving van dit besluit;
  4. de gronden (motivering) van uw bezwaar.

6. Voorschriften

Met voorgaand besluit is bepaald dat Nouryon Chemicals B.V. dient te beschikken over een bedrijfsbrandweer die voldoet aan de onder voorschrift 1.2 beschreven operationele basissterkte en alle overige voorschriften als opgenomen in onderstaand overzicht.

  1. Algemeen
  1. Nouryon Chemicals B.V., gelegen aan de Oosterhorn 4 te Delfzijl, moet beschikken over een bedrijfsbrandweer.

    1. De bedrijfsbrandweer bestaat ten minste uit:
  2. een personele component van:
    1. vier manschappen bedrijfsbrandweer, waarvan tenminste één opgeleid als chauffeur/pompbediende;
    1. één bevelvoerder.
  3. Een tankautospuit met minimaal:
  4. 1800 liter watertank
  5. 2500 liter schuimvormend middel (SVM)
  6. Pomp maximaal 4000 liter/min bij 10 bar
  7. Dakmonitor (water/schuim) maximaal 4000 liter/min
  8. 2 LD (werkdruk tot 15 bar) )water/schuim op haspel van 60 meter
  9. 2 mobiele watermonitoren (straatwaterkanonnen) met een capaciteit van ten minste 2.000 l/min per stuk;
  10. een minimale bluswatercapaciteit van 8.000 liter/minuut;
  11. voldoende incidentbestrijdings- en incidentbeheersmiddelen om de omschreven incidentscenario’s te kunnen bestrijden;
  12. minimaal 1684,5 liter schuimvormend middel voor de vaste- en mobiele schuim-blusinstallaties die binnen de inrichting aanwezig zijn.
  1. Het bedrijfsbrandweerrapport, d.d. 12 december 2018, en de door Nouryon Chemicals B.V. ingediende aanvullende gegevens maken integraal onderdeel uit van de aanwijsbeschikking, tenzij hiervan in deze beschikking wordt afgeweken.
  1. De bijlagen waarnaar in de voorschriften wordt verwezen maken integraal onderdeel uit van de aanwijsbeschikking.
  • edrijfsbrandweerbeheerssysteem

    • De inrichting dient een bedrijfsbrandweerbeheerssysteem geïmplementeerd te hebben. Indien de inrichting een veiligheidsbeheerssysteem heeft op grond van het Brzo 2015 of het Arbeidsomstandighedenbesluit dan kan het bedrijfsbrandweerbeheerssysteem een onderdeel zijn van dit veiligheidsbeheerssysteem.
  • In het bedrijfsbrandweerbeheerssysteem moet het volgende zijn opgenomen:
    • de wijze waarop het bedrijf het inspecteren, testen en onderhouden van incidentbestrijdings- en incidentbeheersmiddelen opzet, uitvoert, bewaakt en registreert;
    • de wijze waarop het bedrijf de inzetbaarheid van de incidentbestrijdings- en incidentbeheersmiddelen heeft geborgd;
    • op welke wijze de inrichting het opzetten, uitvoeren en bewaken van opleidingen en (noodplan)oefeningen borgt;
    • de wijze waarop na oefeningen en incidenten de noodorganisatie en bedrijfsbrandweer worden geëvalueerd en acties die daaruit volgen worden opgepakt;
    • op welke wijze de voorgeschreven personele bezetting dagelijks wordt vastgesteld en geborgd.
  • Op het terrein van inrichting is te allen tijde het bedrijfsbrandweerjournaal aanwezig.
  • Indien de gegevens uit het bedrijfsbrandweerjournaal verspreid zijn over verschillende systemen (documenten en/of elektronisch), moet er een overzicht aanwezig zijn met daarop aangegeven waar de gegevens zijn terug te vinden c.q. worden vastgelegd en bijgehouden.
  • ersoneel
  • Op het terrein van de inrichting is te allen tijde het bedrijfsbrandweerpersoneel aanwezig, als bedoeld in voorschrift 1.2, onder a. Het bedrijfsbrandweerpersoneel is beschikbaar en paraat om de incidentbestrijdings- en incidentbeheersmiddelen te bedienen. Personeel dat wordt geleverd door een derde partij waaraan de bedrijfsbrandweerzorg geheel of gedeeltelijk is uitbesteed, hoeft niet aanwezig te zijn op het terrein van de inrichting.

In geval van niet of beperkte inzetbaarheid van het bedrijfsbrandweerpersoneel dient dit direct aan het bestuur gemeld te worden. In de melding beschrijft het hoofd of de bestuurder van de inrichting welke maatregelen zijn genomen om tot een gelijkwaardige oplossing te komen wat de reden en de aard van de niet of beperkte inzetbaarheid is, wanneer die naar verwachting is opgeheven en welke maatregelen de inrichting neemt om de operationaliteit van het bedrijfsbrandweerpersoneel te waarborgen. Het bestuur kan aanvullende eisen stellen. De melding kan worden gedaan via info@vrgroningen.nl, t.a.v. Sectorhoofd Risicobeheersing.

Toelichting

In beginsel moet al het aangewezen bedrijfsbrandweerpersoneel aanwezig, beschikbaar en paraat zijn op het terrein van de inrichting. Alleen als de bedrijfsbrandweerzorg geheel of gedeeltelijk aan een derde partij is uitbesteed, bijvoorbeeld bij een siteconstructie, vervalt deze verplichting voor het deel dat aan deze partij is uitbesteed. Hierbij wordt wel gewezen op het gestelde in voorschrift 7.6. Als de bedrijfsbrandweerzorg gedeeltelijk is uitbesteed aan een derde partij, moet het personeel dat de inrichting zelf bijdraagt aan de bedrijfsbrandweerorganisatie wel te allen tijde aanwezig zijn op de inrichting. Te denken valt aan aangewezen operators of first line responders, maar ook aan situaties waarin bevelvoerders, voertuigbedieners en manschappen deels door de inrichting zelf en deels door een derde partij worden geleverd. De bevelvoerders c.a. die door de inrichting zelf worden geleverd, moeten te allen tijde op het terrein van de inrichting aanwezig zijn.

  • Een bevelvoerder geeft binnen de bedrijfsbrandweer leiding aan maximaal acht personen.
  • Het bedrijfsbrandweerpersoneel is aantoonbaar lichamelijk goedgekeurd voor de uit te voeren taken.
  • Binnen een half uur na ontdekken van een incident dient (minimaal) één beslissingsbevoegd persoon van de bedrijfsleiding, met kennis van de gebezigde processen, op het terrein aanwezig te zijn. Deze functionaris is benoemd in de organisatiebeschrijving als genoemd in voorschrift 3.7.
  • Binnen de inrichting zijn één of meerdere functionarissen verantwoordelijk voor de uitvoering van:
    • de periodieke controle van de incidentbestrijdings- en incidentbeheersmiddelen, zoals genoemd in de aanwijsbeschikking en het rapport inzake de bedrijfsbrandweer;
    • de beproeving van de goede werking van de incidentbestrijdings- en incidentbeheersmiddelen;
    • het treffen van maatregelen om de geoefendheid van de bedrijfsbrandweer te behouden;
    • het actueel houden van het bedrijfsbrandweerjournaal.

Indien meerdere functionarissen verantwoordelijk zijn voor deze taken, moet duidelijk zijn welke functionaris verantwoordelijk is voor welke taak.

  • De taken en verantwoordelijkheden van het bedrijfsbrandweerpersoneel zijn bij alle betrokkenen bekend. De taken en verantwoordelijkheden zijn opgenomen in een document en uitgewerkt in een schriftelijke instructie die onderdeel is van het bedrijfsbrandweerbeheerssysteem van de inrichting.
  • De inrichting beschikt over een beschrijving van de taken en verantwoordelijkheden van het (bedrijfsbrandweer)personeel dat op alle organisatorische niveaus bij het beheersen van de geloofwaardige incidentscenario’s is betrokken, met daarin aangegeven de verschillende functies en de daarbij behorende opleidingen. De organisatie van de hiervoor genoemde opleidingen en de deelname daaraan door het personeel dient tevens in deze beschrijving opgenomen te worden. Het kennisniveau horende bij de functies en opleidingen dient op peil gehouden te worden via een oefenprogramma. Bovenstaande voorwaarden en beschrijvingen dienen opgenomen te zijn in een bedrijfsbrandweerbeheerssysteem.
  • Op het terrein van de inrichting zijn te allen tijde de middelen aanwezig die in voorschrift 1.2, onder b tot en met f, zijn genoemd. Uitgezonderd zijn de incidentbestrijdings- en incidentbeheersmiddelen die worden geleverd door een derde partij waaraan de bedrijfsbrandweerzorg geheel of gedeeltelijk is uitbesteed.

Toelichting

In beginsel moet alle aangewezen incidentbestrijdings- en incidentbeheersmiddelen aanwezig zijn op het terrein van de inrichting. Alleen als de bedrijfsbrandweerzorg geheel of gedeeltelijk aan een derde partij is uitbesteed en deze ook de betreffende middelen meeneemt in geval van een incident, vervalt deze verplichting voor het deel dat aan deze partij is uitbesteed. Hierbij wordt wel gewezen op het gestelde in voorschrift 7.6. Als een deel van de middelen in geval van een incident wordt meegenomen door de derde partij en een deel door de inrichting zelf geleverd wordt (bijvoorbeeld extra schuimvormend middel), dan moeten de middelen die de inrichting zelf levert te allen tijde aanwezig zijn op het terrein van de inrichting.

  • De incidentbestrijdings- en incidentbeheersmiddelen zijn:
    • Bedrijfszeker;
    • voor onmiddellijk gebruik gereed;
    • goed bereikbaar;
    • als zodanig herkenbaar;
    • tegen externe invloeden beschermd;
    • beschermd tegen warmtestraling als gevolg van een incident.

De wijze waarop de inrichting bovenstaande kwaliteitseisen voor de incidentbestrijdings- en incidentbeheersmiddelen waarborgt via testen en een onderhouds- en inspectiesysteem dient inzichtelijk te zijn gemaakt in het bedrijfsbrandweerbeheerssysteem.

Toelichting:

Hiermee wordt in ieder geval het volgende bedoeld:

  • blusvoorzieningen, bluswaterleidingen, brandkranen, omloopafsluiters en bluswaterreservoirs moeten tegen vorst beschermd of bestand zijn;
  • watervoerende armaturen en mobiele blustoestellen die in de open lucht en/of in een stoffige of corrosieve omgeving aanwezig zijn moeten doelmatig beschermd zijn tegen invloeden van buitenaf;
  • onder externe invloeden wordt onder andere verstaan: aanrijden, aanvaren, vorst, etc.
  • ingeval brandveiligheidsmiddelen in een kast worden geplaatst, dan moet deze opvallend zijn geplaatst en zijn voorzien van deuren, waarop aan de buitenzijde de inhoud van de kasten duidelijk is vermeld;
  • waar toegepast moeten kasten en/of beschermhoezen uitgevoerd zijn in de kleur rood, overeenkomstig de NEN 3011.
  • Bij (preventieve) onderhoudswerkzaamheden aan de incidentbestrijdings- en incidentbeheersmiddelen, waarbij deze middelen buiten bedrijf worden gesteld, dient het bedrijf vervangende en gelijkwaardige maatregelen te nemen.
  • De inrichting maakt zo spoedig mogelijk nadat bekend is dat de werkzaamheden, bedoeld in voorschrift 4.3, zullen worden uitgevoerd zijn, hiervan melding bij het bestuur. Daarbij wordt vermeld hoe lang de middelen naar verwachting buiten bedrijf worden gesteld en welke maatregelen de inrichting neemt. De melding wordt gedaan via info@vrgroningen.nl, t.a.v. Sectorhoofd Risicobeheersing.
  • Gebreken die de technische integriteit van de incidentbestrijdings- en incidentbeheersmiddelen nadelig beïnvloeden dienen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 1 maand na constateren adequaat te worden opgeheven. In het geval de operationaliteit van de (bedrijfs-)brandweer door het gebrek in geding is, zal het gebrek onmiddellijk verholpen dienen te worden. Indien dit niet mogelijk is dient vervangend en gelijkwaardig materiaal te worden ingezet of dient de procesvoering aangepast te worden. Bij inzet van vervangend materiaal dient dit opgenomen te worden in het bedrijfsbrandweerjournaal. Een nadere beschrijving van eisen gesteld aan het testen en het onderhouds- en inspectiesysteem voor de incidentbestrijdings- en incidentbeheersmiddelen is opgenomen in bijlage 2.
  • Een gebrek als bedoeld in voorschrift 4.5 wordt zo spoedig mogelijk na ontdekken ervan gemeld bij het bestuur. Daarbij wordt vermeld wat de aard van het gebrek is, wanneer het gebrek naar verwachting is opgeheven en welke (tijdelijke) maatregelen de inrichting neemt om de operationaliteit van de incidentbestrijdings- incidentbeheersmiddelen te waarborgen. De melding wordt gedaan via info@vrgroningen.nl, t.a.v. Sectorhoofd Risicobeheersing.
  • De aanwezige incidentbestrijdings- en incidentbeheersmiddelen zijn aantoonbaar geschikt voor de incidentscenario’s waarop deze middelen zijn toegespitst en waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij binnen de inrichting kunnen worden aangetroffen.
  • Alle door verbrandingsmotoren aangedreven onderdelen van de incidentbestrijdings- en incidentbeheersmiddelen (inclusief noodstroomaggregaat ten behoeve van elektrische bluswaterpompen) worden wekelijks getest. Indien kan worden aangetoond dat met een lagere testfrequentie kan worden volstaan, kan na toestemming van het bestuur van genoemde frequentie worden afgeweken. De te testen parameters moeten zodanig gekozen zijn dat de life-cycle van deze onderdelen inzichtelijk wordt en preventief onderhoud tijdig ingepland kan worden. De uitkomsten van deze testen worden bijgeschreven in het bedrijfsbrandweerjournaal en worden minimaal twee jaar bewaard.
  • Het schuimvormende middel in iedere opslageenheid moet zodanig worden bewaard en opgeslagen dat deze aan de specificaties van de fabrikant blijft voldoen. Hiervoor moeten door de fabrikant opgestelde inspectie- en onderhoudseisen aantoonbaar aangehouden worden of het schuimvormend middel moet periodiek en tenminste eenmaal per jaar worden geïnspecteerd (zie bijlage 2). De tanks, leidingen, pakkingen en appendages mogen niet door het middel kunnen worden aangetast. In het geval dat meerdere opslageenheden schuimvormend middel met hetzelfde batchnummer en/of dezelfde productiedatum onder gelijke condities worden opgeslagen, kan na goedkeuring van het bestuur volstaan worden met minimaal twee representatieve monsters uit twee van deze opslageenheden te testen. Hierbij moet iedere opslageenheid periodiek individueel getest worden. Indien er sprake is van een jaarlijkse inspectie, zal het schuimvormend middel per opslageenheid separaat moeten worden getest. De resultaten van de inspecties en controles dienen te worden bijgehouden in het bedrijfsbrandweerjournaal. Een nadere beschrijving van de inspectie- en onderhoudseisen van het schuimvormend middel is opgenomen in bijlage 2.
  • Indien de voorraad schuimvormend middel die benodigd is voor de inzet bij het incident niet volledig stationair is opgesteld of met brandweervoertuigen wordt vervoerd, zijn er maatregelen genomen om de aanvullende voorraden adequaat naar de plaats van het incident te transporteren. De aanvullende voorraden zijn ter plaatse voordat de voorraad schuimvormend middel die stationair beschikbaar is of in het brandweervoertuig aanwezig is, is verbruikt, uitgaande van een maximale afname van het schuimvormend middel.
  • De mobiele incidentbestrijdings- en incidentbeheersmiddelen worden in een speciaal hiervoor bestemde, doeltreffende ruimte ondergebracht. De ruimte moet beschermd zijn tegen externe en weersinvloeden en altijd op een veilige wijze bereikbaar zijn.
  • Niet-gecertificeerde incidentbestrijdings- en incidentbeheersmiddelen, zijnde blus- en koelvoorzieningen of installaties met een vergelijkbare werking, worden periodiek en tenminste eenmaal per jaar tijdens een functionele test volledig in gebruik gesteld. Hierbij zal de installatie moeten voldoen aan de performance-eisen zoals deze aan het ontwerp van de installatie zijn gesteld.

Voor schuiminstallaties moet in ieder geval getest moet worden op de performance-eisen voor application-rate, bijmengpercentage, druk en flow van het schuimvormend middel.

Voor koelinstallaties moeten de performance-eisen voor application-rate, druk, flow en volledige dekking worden getest. De periode tussen twee testen mag niet langer zijn dan 12 maanden. Na iedere test wordt de installatie zorgvuldig gereinigd om de goede werking te garanderen.

Toelichting

Voor schuiminstallaties kan worden volstaan om – bij het bepalen van application-rate en bijmengpercentage – water te gebruiken. Indien flow en druk van het water in orde zijn mag worden verondersteld dat verschuimingsgetal ook in orde is.

  • Gecertificeerde installaties hebben een geldig certificaat. In het bedrijfsbrandweerjournaal worden de testen, inspecties en onderhoud geregistreerd. De eisen gesteld in deze certificering over inspectie, onderhoud en testen moeten worden nageleefd en de daarbij horende inspectierapporten moeten binnen de inrichting ter beschikking worden gesteld aan de toezichthouder. De inspectie wordt uitgevoerd door een voor ISO/IEC 17020 geaccrediteerde inspectie A-instelling, die voor het verrichten van haar werkzaamheden gebruik maakt van de VVB-09, of een daaraan gelijkwaardige methode. De certificaten en de daarbij horende inspectierapporten worden in het bedrijfsbrandweerjournaal opgenomen en zodanig bewaard dat de life-cycles van deze installaties bij het bedrijf inzichtelijk zijn. Een nadere beschrijving van eisen gesteld aan het testen en het onderhouds- en inspectiesysteem van deze installaties is opgenomen in bijlage 2.
  • Voor vast opgestelde blus- en koelvoorzieningen of installaties op verticale cilindrische opslagtanks kan de jaarlijkse functionele test zoals bedoeld in voorschrift 4.12 vervangen worden door het uitvoeren van een inspectie-, onderhouds- en testprogramma. In dat geval moeten de wijze van inspectie, onderhoud en testen van (onderdelen van) vast opgestelde blus- en koelinstallaties worden uitgevoerd volgens de NFPA 11 en/of 25. Voor wat betreft de frequenties voor onderhoud, inspecties en testen dient voor koelinstallaties te worden voldaan aan het gestelde in de NFPA 25. Voor de schuimblusinstallaties dient voor wat betreft de frequenties te worden voldaan aan de tabel met de afgeleide frequenties voor onderhoud, inspecties en testen zoals opgenomen in bijlage 2 van onderhavige beschikking.

Resultaten van het onderhoud, de uitgevoerde inspecties en het testen moeten worden opgenomen in het bedrijfsbrandweerjournaal. Inspectie-, test- en onderhoudsvoorschriften en -protocollen moeten aantoonbaar goed gedocumenteerd, geschikt en geïmplementeerd zijn. Voor inspecties, testen en onderhoud aan brandbeveiligingsinstallaties moet aantoonbaar gekwalificeerd personeel ingezet worden. Rapportages van inspecties, testen en onderhoud moeten inzichtelijk zijn voor een toezichthouder van de veiligheidsregio. Een mobiele component die onderdeel uitmaakt van het totale systeem, zoals een industrieel blusvoertuig, moet onderdeel uitmaken van de inspecties, testen en onderhoud.

  • Indien ervoor gekozen wordt om van de in voorschrift 4.14 genoemde mogelijkheid gebruik te maken, dient voor de betreffende blusinstallaties op de opslagtanks binnen de inrichting een acceptance test, zoals bedoeld in hoofdstuk 11.3 van de NFPA11, te worden uitgevoerd. Bij deze acceptance test worden de ontwerpgegevens van de blusinstallatie in de praktijk middels testresultaten geverifieerd.
  • In de volgende situaties dient altijd een functionele test als bedoeld in voorschrift 4.12 te worden uitgevoerd:
    • bij oplevering van de installatie;
    • bij modificatie van de installatie, als deze van invloed kan zijn op de performance van de installatie;
    • op vordering van de toezichthouder als er gegronde twijfel is over de doelmatigheid en/of integriteit van de brandbeveiligingsinstallatie.

Toelichting voorschriften 4.14 en 4.15

De voorschrift 4.14 en 4.15 hebben alleen betrekking op vast opgestelde blus- en koelsystemen op verticale cilindrische opslagtanks (PGS 29-tanks).

Voor het testen van de blus- en koelsystemen op deze tanks heeft een inrichting drie mogelijkheden: live testen, certificering en inspectie, testen en onderhoud volgens NFPA 11 en NFPA 25 (verder: ITO). Als een inrichting kiest voor ITO, dan moeten ze dit in het bedrijfsbrandweerrapport aangeven. Uit het bedrijfsbrandweerraport blijkt dan welke opslagtanks onder het ITO gaan vallen. Voor deze tanks dient dan voor de betreffende blusinstallatie op de opslagtank altijd eerst een acceptance test zoals bedoeld in hoofdstuk 11.3 van de NFPA11 te worden uitgevoerd. Als het niet mogelijk is om de acceptance testen voor alle blusinstallaties op opslagtanks die men onder het ITO wil laten vallen tegelijk uit te voeren kan een voorschrift worden opgenomen om deze testen te spreiden over een bepaalde periode. Dit laatste is echter niet wenselijk.

  • Geoefendheid
  • Het bedrijfsbrandweerpersoneel heeft kennis van en inzicht in de werking van de aanwezige incidentbestrijdings- en incidentbeheersmiddelen en beschikt over de vaardigheden voor de bediening van deze apparatuur.
  • De kennis en kunde van het bedrijfsbrandweerpersoneel dient adequaat te blijven door bijscholing en het oefenen van de benodigde vaardigheden.
  • Het hoofd of de bestuurder van de inrichting verstrekt ieder jaar voor 1 december aan het bestuur een oefenprogramma met een bijbehorend oefenrooster van het volgende kalenderjaar.
  • Het oefenprogramma bevat alle relevante oefenonderdelen om kennis en vaardigheden op het vastgestelde opleidingsniveau te handhaven en is specifiek toegespitst op de systemen en geloofwaardige incidentscenario’s die op het bedrijf van toepassing zijn.
  • Het oefenprogramma bevat onderdelen die de kennis en vaardigheden omtrent de inrichting en het gestelde in de voorschrift 5.1 en 7.4 op voldoende niveau brengen en waarborgen. Het oefenprogramma dient opgenomen te worden in het bedrijfsbrandweerbeheerssysteem. Oefeningen en evaluaties dienen geregistreerd te worden in het bedrijfsbrandweerjournaal.
  • Het bestuur beoordeelt het oefenrooster en oefenprogramma en kan naar aanleiding van deze beoordeling nadere eisen stellen.
  • Oefeningen moeten in overeenstemming met het goedgekeurde oefenprogramma en het bijbehorende oefenrooster worden uitgevoerd. Afwijkingen hiervan zijn alleen mogelijk na toestemming van het bestuur.
  • luswatervoorziening
  • De inrichting beschikt over een bluswatervoorziening zoals omschreven in de op het moment van vaststelling van de aanwijsbeschikking voor de inrichting geldende omgevingsvergunning milieu dan wel de aanwijsbeschikking.

Het bluswaternetwerk dient zodanig te zijn uitgevoerd dat voldoende bluswater beschikbaar is op de plaatsen waar de incidentscenario’s zich kunnen voordoen, ter bestrijding ervan.

  • Indien de bluswatervoorziening wordt aangepast en dit gevolgen kan hebben voor de bestrijding en beheersing van de geloofwaardige incidentscenario’s uit het bedrijfsbrandweerrapport dat onderdeel uitmaakt van de aanwijsbeschikking, dient de inrichting dit onverwijld te melden bij het bestuur en een tekening en specificaties te verstrekken van het aangepaste netwerk.

Toelichting

Wijzigingen in het bluswaternetwerk die gevolgen kunnen hebben voor de bestrijding en beheersing van geloofwaardige incidentscenario’s moeten bij het bestuur worden gemeld. Door daarbij een tekening en specificaties als onder meer de capaciteit van het bluswater te verstrekken, kan het bestuur beoordelen of de aanpassing van het bluswaternetwerk daadwerkelijk gevolgen heeft voor de bestrijding en beheersing van geloofwaardige incidentscenario’s. Als dat het geval is, zal de inrichting een gewijzigd bedrijfsbrandweerrapport moeten indienen.

  • Het gehele bluswaternetwerk dient zodanig te worden uitgevoerd dat overal de maximale bluswatercapaciteit beschikbaar is, tenzij het bedrijf aan kan tonen dat op een deel van de inrichting met een lagere capaciteit kan worden volstaan.
  • Het bluswaternetwerk wordt doeltreffend, maar ten minste tweemaal per jaar gespoeld volgens een doelmatig spoelprogramma teneinde aangroei, bezinksel en andere verontreinigingen te verwijderen. Voor bluswaternetwerken gevoed met drinkwater kan volstaan worden met een minimale frequentie van eenmaal per jaar. De (onderhouds)werkzaamheden worden in het bedrijfsbrandweerjournaal vermeld. Van het bluswatersysteem is altijd een actuele tekening opgenomen in het bedrijfsbrandweerjournaal. Een nadere beschrijving van eisen gesteld aan het doeltreffend spoelen van het bluswaternetwerk is opgenomen in bijlage 2.

Toelichting

Indien op basis van historische metingen kan worden aangetoond dat met een lagere frequentie kan worden volstaan, dan kan na toestemming van het bestuur van de genoemde frequentie worden afgeweken.

  • Alarmering en Opkomst
  • Op het terrein van de inrichting zijn geschikte voorzieningen aanwezig waarmee te allen tijde op doeltreffende wijze bij incidenten binnen één minuut na het constateren van het incident vanaf het waarnemingspunt, melding kan worden gedaan aan een voortdurend bemande meldpost omtrent aard en plaats van een incident.
  • Vanuit de in voorschrift 7.1 genoemde meldpost kan de bedrijfsbrandweer alsmede de overheidsbrandweer te allen tijde onmiddellijk en op een doeltreffende manier worden gealarmeerd.
  • Bij inzet van de bedrijfsbrandweer tijdens een incident dient er meteen doormelding plaats te vinden naar de Meldkamer Noord-Nederland te Drachten. Bij een doormelding dienen minimaal de volgende gegevens te worden vermeld:
    • aard en locatie van het incident;
    • welke assistentie van de overheidshulpdiensten wordt verwacht.
  • De inrichting beschikt over alarmerings-, uitruk- en inzetprocedures ten behoeve van de bedrijfsbrandweer en andere bedrijfsonderdelen die in de noodorganisatie een functie vervullen. De procedures dienen opgenomen te zijn in het bedrijfsbrandweerbeheerssysteem. De uitrukken dienen in het bedrijfsbrandweerjournaal te worden geregistreerd.
  • Van elke brand of ongeval waarbij een inzet van de bedrijfsbrandweer noodzakelijk is wordt melding gedaan aan de overheidsbrandweer en het bestuur van de veiligheidsregio. De melding bij de veiligheidsregio wordt gedaan via info@vrgroningen.nl, t.a.v. Sectorhoofd Risicobeheersing.

Toelichting
Ook incidenten waarbij om wat voor reden dan ook geen bedrijfsbrandweer is ingezet, maar die toch een bijzonder gevaar kunnen vormen voor de openbare veiligheid
[3], moeten gemeld worden. Daarnaast dienen uiteraard ook andere relevante overheidsorganisaties geïnformeerd te worden conform de daarvoor geldende wet- en regelgeving.

  • Het in voorschrift 1.2 voorgeschreven personeel en middelen moeten binnen 6 minuten na melding op elke locatie waar zich incidenten met gevaarlijke stoffen kunnen voor doen, aanwezig kunnen zijn.
  • Indien de bedrijfsbrandweer zich niet op het bedrijfsterrein bevindt dient het personeel en materieel van de bedrijfsbrandweer na melding van een incident te allen tijde onverwijld toegang verleend te worden tot het bedrijfsterrein.
  • Het personeel en materieel van de overheidsbrandweer dient na melding van een incident te allen tijde onverwijld toegang verleend te worden tot het bedrijfsterrein.
  • erbindingen
  • De bevelvoerder van de bedrijfsbrandweer beschikt over verbindingsmiddelen waarmee rechtstreeks verbinding wordt onderhouden met de in voorschrift 7.1 genoemde meldpost.

Voor verbinding met de bevelvoerder en de officier van dienst van de overheidsbrandweer heeft de bedrijfsbrandweer de beschikking over adequate C2000-communicatiemiddelen.

  • Beschermende Middelen
  • De bedrijfsbrandweerorganisatie heeft de beschikking over voldoende persoonlijke beschermingsmiddelen die bestand zijn tegen alle binnen de inrichting te verwachten stoffen en omstandigheden en geschikt zijn om de taken uit te voeren.
  • Indien de inrichting voorziet in een eigen brandweerploeg, is deze te onderscheiden van de overheidsbrandweer en overige hulpdiensten. Dit kan in ieder geval door het goed zichtbaar aanbrengen van de bedrijfsnaam op de bluskleding.
  • De bevelvoerder van de bedrijfsbrandweer is herkenbaar en te onderscheiden van de rest van de bedrijfsbrandweerploeg.
  1. Samenwerking met Externe Hulpdiensten
  1. De overheidsbrandweer wordt direct bij aankomst voorzien van actuele informatie en begeleiding om doeltreffend te kunnen optreden. Een beschrijving van de verplichtingen die de inrichting heeft betreffende de minimale informatievoorziening naar de overheidsbrandweer is opgenomen in bijlage 3.
  1. Bij aankomst van de overheidsbrandweer is een gids of andere gelijkwaardige voorziening aanwezig en beschikbaar om de overheidsbrandweer de plaats van het incident op adequate en veilige wijze te laten bereiken.
  1. Indien de bedrijfsbrandweer geheel of gedeeltelijk door een derde partij wordt verzorgd is het gestelde in voorschrift 10.1 en 10.2 ook op die bedrijfsbrandweer van toepassing.

.

  1. De leidinggevenden binnen de bedrijfsbrandweer hebben kennis van en inzicht in de commandostructuur van de overheidsbrandweer. De noodorganisatie binnen de inrichting dient bij een gezamenlijk optreden aan te sluiten bij de commandostructuur van de overheid.
  1. oezicht
  1. In het overzicht van de werkelijke sterkte dat het hoofd of de bestuurder van de inrichting op grond van artikel 31, zesde lid, van de Wet veiligheidsregio’s voor 1 februari van elk jaar moet indienen bij het bestuur is aangegeven:
    1. hoeveel personen bevoegd zijn de verschillende functies binnen de bedrijfsbrandweerorganisatie uit te oefenen;
    1. hoeveel van de personen een dubbelfunctie hebben binnen de bedrijfsbrandweerorganisatie.

Toelichting:

Het doel van dit voorschrift is om aan te tonen dat de personele bezetting van de bedrijfsbrandweer afdoende is gewaarborgd, doordat voldoende medewerkers zijn opgeleid om invulling te geven aan de bestrijding van de incidentscenario’s. Medewerkers met een dubbelfunctie zijn bijvoorbeeld zowel BHV’er als onderdeel van de bedrijfsbrandweer. Dit is van belang om te weten, omdat personen met een dubbelfunctie maar voor één taak tegelijk inzetbaar zijn en daardoor mogelijk niet beschikbaar zijn voor een bedrijfsbrandweerinzet.

  1. Bij inspectie van de bedrijfsbrandweer kan het bestuur het bedrijf verzoeken de inzetbaarheid aan te tonen door middel van een praktische inzet bij een relevant scenario.
  1. lotbepalingen
  1. In overleg met en na toestemming van het bestuur kunnen de incidentbestrijdings- en incidentbeheersmiddelen en het bedrijfsbrandweerpersoneel, bedoeld in voorschriften 1.2, 3.1 en 4.1, door derden worden verzorgd. Deze door derden verzorgde bedrijfsbrandweer moet voldoen aan de voorwaarden als gesteld in de aanwijzingsbeschikking en de daaraan verbonden voorschriften.
  1. In afwijking van voorschrift 12.1 is geen overleg en toestemming van het bestuur nodig, indien het hoofd of de bestuurder van de inrichting de bedrijfsbrandweerzorg geheel of gedeeltelijk laat uitvoeren door Falck Fire Services. In dat geval moet hiervan schriftelijke melding worden gedaan aan het bestuur waarbij tevens het contract dat met Falck Fire Services is afgesloten dient te worden overgelegd. Uit dit contract en de melding dient te blijken welk deel van de bedrijfsbrandweerzorg door Falck Fire Services wordt uitgevoerd en welk deel door de inrichting zelf wordt uitgevoerd.
  1. Indien het hoofd of de bestuurder van de inrichting de bedrijfsbrandweerzorg geheel of gedeeltelijk door derden laat uitvoeren, vervalt de eis tot het te allen tijde op het terrein van de inrichting aanwezig hebben van de bedrijfsbrandweer voor de onderdelen die deze derde partijop zich neemt. Echter blijft artikel 7.6 van voorliggende beschikking hierbij onverkort van kracht.


Bijlagen bij de Aanwijsbeschikking

Bijlage 1:

Begrippen en Afkortingen

AanwijsbeschikkingBesluit van het bestuur, als bedoeld in artikel 31 van de Wet veiligheidsregio’s.  
BedrijfsbrandweerHet begrip bedrijfsbrandweer houdt in: Een organisatie van mensen en middelen met als doel het gecoördineerd bestrijden van branden en ongevallen op het terrein van de inrichting.   Met deze begripsdefinitie is voor het aanwijsbeleid daarmee de breder beschreven definitie voor de bedrijfsbrandweer:   “Een bedrijfsbrandweer is een door het bedrijf ingestelde incidentbestrijdings-organisatie met bekwaam personeel en materieel die, op basis van artikel 31 van de Wet veiligheidsregio’s, is aangewezen door de eigen veiligheidsregio teneinde de risico’s van het bedrijf voor de omgeving te beperken.”  
Bedrijfsbrandweer-beheerssysteemEen kwaliteits- en beheerssysteem dat aanwezig is op de inrichting waarmee wordt aangetoond dat de operationele paraatheid en bedrijfszekerheid van (bedrijfsbrandweer)personeel en incidentbestrijdings- en incidentbeheersmiddelen is geborgd.  
Bedrijfsbrandweer-journaalHet journaal waarin de resultaten van de inspecties, de testen en het onderhoud van de incidentbestrijdings- en incidentbeheersmiddelen wordt bijgehouden en gearchiveerd, inclusief inspecties van vaste blus- en koelinstallaties door certificerende instanties. Het journaal bevat ook een registratie van de dagelijkse sterkte, (noodplan)oefeningen en incidenten.  
Bedrijfsbrandweer-personeelDe personen die de functies vervullen die in de voorschriften bij deze aanwijsbeschikking zijn opgenomen.  
Bedrijfsbrandweer-rapportHet rapport inzake de bedrijfsbrandweer, bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, van het Besluit veiligheidsregio’s.  
BestuurHet bestuur van Veiligheidsregio Groningen.  
BrandweervoertuigEen voertuig, bezet en bestuurd door bedrijfsbrandweerpersoneel, dat kan worden ingezet voor de bestrijding van een incident en voor het vervoer van bedrijfsbrandweerpersoneel, materiaal, blusmiddelen, pompen en overige incidentbestrijdingsmiddelen.  
CertificeringCertificering van brandbeveiligingssystemen zoals beschreven in Handreiking Certificatie Brandbeveiligingssystemen van de NVBR.
Geloofwaardig incidentscenarioEen incidentscenario als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder c van het Besluit veiligheidsregio’s.  
Incidentbestrijdings- en beheersmiddelenHet geheel aan middelen die de bedrijfsbrandweer ten dienste staat bij de uitoefening van zijn taak. Hieronder worden in ieder geval verstaan de logistieke en infrastructurele voorzieningen, blus- koelwaternet met pompen, mobiele blus- en koelvoorzieningen en vast opgestelde koel– en blusinstallaties. Ook brandweervoertuigen maken onderdeel uit van deze middelen.  
InrichtingInrichting zoals gedefinieerd in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer.  
Line of Defence (LoD)Die organisatorische en/of technische beschermings– en interventiemiddelen die de kans dat een specifiek incident kan plaats vinden verkleinen (preventieve LoD’s) of de gevolgen van een incident binnen de installatie/inrichting beperken, beheersen en/of bestrijden (repressieve LoD’s).  
Maatgevend incidentscenarioEen incidentscenario als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder d van het Besluit veiligheidsregio’s.
NEN-normenEen door het Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) uitgegeven norm of normatief document.  
NFPA-codes en -standaardenDoor de National Fire Protection Association (NFPA) ontworpen normatief referentiekader voor het ontwerpen, beheren, onderhouden en testen van brandbeveiligingssystemen en daaraan verwante activiteiten.  
Vast opgestelde blus- en koelinstallatiesDe blus- en koelinstallaties die vast zijn opgesteld en aangebracht op het terrein van de inrichting en die bediend worden door het bedrijfsbrandweerpersoneel.  
Vast opgestelde schuimblusinstallatieDe schuimblusinstallatie die vast is opgesteld en aangebracht op het terrein van de inrichting en die bediend wordt door het bedrijfsbrandweerpersoneel.  
Veiligheidsbeheers-systeem (VBS)Een veiligheidsbeheerssysteem als bedoeld in artikel 7, zesde lid, van het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 dan wel artikel 2.5a, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.


Bijlage 2:

Algemene en specifieke eisen voor het testen en het onderhouds– en inspectiesysteem van incidentbestrijdings– en incidentbeheersmiddelen (Voorschriften 4.2, 4.5, 4.7 en 7.2)

Voorschrift 4.2

De vast opgestelde blus- en koelinstallaties en mobiele blus- en koelvoorzieningen die deel uit maken van de incidentbestrijdings- en incidentbeheersmiddelen moeten zijn ondergebracht in het bedrijfsbrandweerbeheerssysteem waarin zij voor het inspecteren, onderhouden en testen aangemerkt behoren te zijn als veiligheidskritische onderdelen.

De wijze van inspectie, onderhoud en testen van (onderdelen van) vast opgestelde blus- en koelinstallaties moeten uitgevoerd worden zoals beschreven is in de NFPA 25. Indien de inrichting wil afwijken van de NFPA 25 dan zal een aantoonbaar gelijkwaardig opzet voorgelegd moeten worden aan het bestuur. Resultaten van het onderhoud, inspectie en testen moeten opgenomen worden in het bedrijfsbrandweerjournaal.

Schuimvormend middel (voorschrift 4.9)

In deze voorschriften wordt van het bedrijf geëist aan te tonen op welke wijze zij via een inspectiesysteem hebben geborgd dat het op de inrichting aanwezige schuimvormend middel blijft voldoen aan de kwaliteitseisen gesteld door de fabrikant. In de aangeleverde productinformatie moet duidelijk gesteld worden aan welke kritieke specificaties het SVM en de opslag van het SVM moet voldoen. Hierin moet duidelijk zijn aangegeven conform welke normen het SVM getest moet worden. Voorbeelden van deze normen zijn NEN-EN 1568 en UL 162 (zie ook Technisch bulletin 64B, www.hetccv.nl). In deze normatieve referentiekaders staan ook periodieke inspectie-eisen.

Deze inspecties moeten plaatsvinden naast de eventuele jaarlijkse controle op vliesvorming, verontreiniging en sedimentatie. De frequentie van de inspecties is enerzijds afhankelijk van inspectie-eisen gesteld door de leverancier en anderzijds van de te volgen normeringen.

Indien het schuimvormend middel ingezet dient te worden onder specifieke omstandigheden (bijvoorbeeld een verwarmd product) of bestrijding van incidenten met stoffen waarop het effect van dit schuimvormend middel niet volledig bekend is bij de fabrikant van het schuimvormend middel, dan dient de werking van het schuimvormend middel vooraf getest te worden om te bepalen of het geschikt is voor het bestrijden van incidenten met deze stoffen. De test dient uitgevoerd te worden op een wijze die ten minste gelijkwaardig is aan een voor dit doel erkend referentiekader zoals de UL 162 en/of BS 5306.

Bij inspecties van het schuimvormend middel moeten in ieder geval de volgende fysische waarden zijn onderzocht:

  • soortelijke massa;
  • pH-waarde – ligt deze nog binnen de specificaties van de leverancier;
  • Viscositeit – bij de hoogste en laagste waarde van de door de leverancier opgegeven temperatuurrange. Meestal is dit bij 20°C en -15°C;
  • Refractie Index (alleen van Premix oplossingen);
  • snelheid van filmvorming (indien van toepassing);
  • oppervlaktespanning;
  • aanwezigheid van sediment.

In het rapport van deze testen moet aangegeven zijn:

  • wat de specificatie van de fabrikant voor iedere parameter is en met behulp van welke test (of tegen welke norm) de controle is uitgevoerd en welk laboratorium de test heeft uitgevoerd;
  • welke afkeurcriteria voor het SVM dienen te worden gehanteerd. Het schuimvormend middel moet afgekeurd worden indien niet aan de eisen van de fabrikant kan worden voldaan. Het schuimvormend middel moet in dat geval binnen 24 uur vervangen worden. In uitzonderlijke gevallen kan hier in overleg met het Bevoegd gezag van worden afgeweken.

Incidentbestrijdings- en incidentbeheersmiddelen (voorschrift 4.12 en 4.13)

  • Voor vast opgestelde blus- en koelinstallaties (die in ieder geval uit een brandbeheers- of brandblusinstallatie bestaan) die gecertificeerd moeten zijn, geldt dat er een geldig inspectie/onderhoudscertificaat binnen de inrichting aanwezig is, zoals beschreven in de Handreiking Certificatie Brandbeveiligingssytemen.
  • De registratie van de testresultaten moet zodanig zijn dat bij de inrichting inzichtelijk is wat de staat van alle installaties (sprinkler, deluge, maar ook schuimblusinstallaties en overige, niet nader genoemde vast opgestelde blus- en koelinstallaties) is en wanneer men verwacht dat er groot onderhoud aan deze installaties gepleegd moet worden.

Bluswaternetwerk (voorschrift 6.4)

In verband met het toenemen van de inwendige weerstand van de ondergrondse blusleidingen bij veroudering moeten er testen uitgevoerd worden. Het bedrijf dient voor dit doel binnen haar onderhouds- en inspectiesysteem over een testprotocol te beschikken. Het spoelprogramma waaraan deze voorschriften refereren, moet dan ook doelbewust opgezet zijn voor het spoelen van zowel het ondergrondse als het bovengrondse bluswaternetwerk. Het spoelprogramma zal van toepassing moeten zijn op alle secties van het bluswaternet. In het testprotocol moet duidelijk naar voren komen dat door sturing van blokafsluiters alle secties afzonderlijk gespoeld worden.

Bij het spoelen van blusleidingen worden voorwaarden verbonden aan:

  1. de duur van het spoelen.
  2. de capaciteit tijdens het spoelen.

Ad a

De leiding dient te worden gespoeld totdat het water schoon is. Het water is schoon als er geen verontreinigingen worden aangetroffen in de “burlap bags”55 (jute zakken) die aan de uitgangen (zoals hydranten) gemonteerd zijn.

De minimale duur kan worden berekend aan de hand van de lengte en diameter van de leiding die gespoeld wordt, gekoppeld aan het gegeven met welk debiet gespoeld wordt.

Ad b

Het spoelen dient uitgevoerd te worden bij een bepaald debiet. Hierbij gelden in ieder geval de volgende uitgangspunten:

  • de berekende hydraulische capaciteit van het systeem om b.v. sprinklersystemen naar behoren te laten werken;
  • het maximale debiet dat geleverd moet worden tijdens de bestrijding of beheersing van een (brandgevaarlijk) incident;
  • het debiet dat nodig is om een stroomsnelheid van 3 m/s te behalen. Deze stroomsnelheid is nodig om al het vuil uit de leidingen te verwijderen. In onderstaande tabel staat het debiet voor verschillende pijpdiameters aangegeven:
Diameter Leiding (Inch/mm)Flow (Liter/min.)
4”/1021.476
6”/1523.331
8”/2035.905
10”/2549.235
12”/30513.323

De opbrengst (debiet), de (statische) druk en de restdruk (als 3 hydranten gelijktijdig openstaan) van het bluswaternet en de hydranten dienen periodiek maar minstens iedere 3 jaar getest te worden om aan te tonen dat voldaan wordt aan de voorwaarden uit de milieuvergunning c.q. aanwijsbeschikking.

De debietmeting moet uitgevoerd worden door een daartoe door het bestuur aanvaarde deskundige met een aantoonbaar geijkte water- en drukmeter.

De debietmeting dient te worden uitgevoerd bij een dynamische (rest)druk van 100 kPa.

Aanpassen van de spoelfrequentie

In voorschrift 6.4 wordt nadrukkelijk benoemd dat voor de bedrijven de mogelijkheid bestaat om de frequentie van het spoelen te verlagen. Een verzoek tot het verlagen van deze frequentie zal gericht moeten worden aan het bestuur.

Hieronder zijn een aantal criteria en informatie-eisen beschreven, waaraan een verzoek tot het verlagen van de spoelfrequentie moet voldoen.

  1. Uitvoering spoelprogramma: Aangetoond dient te worden dat de spoelprogramma’s uitgevoerd zijn in overeenstemming met de voorwaarden die hierboven zijn beschreven.
    1. Archivering uitgevoerde spoelprogramma’s: De uitvoering en resultaten van spoelprogramma’s dienen voor minimaal 2 jaar gearchiveerd te worden. Hierbij dient aangetoond te worden dat het gehele leidingnet gespoeld is.
    1. Spoelmedium: Vastgelegd moet zijn met welk water is gespoeld. Dit kan zijn leidingwater of oppervlaktewater via de bluspompen. Indien er sprake is van oppervlaktewater dan moet het duidelijk zijn of het gaat om zout, zoet of brak water.
    1. Informatie over bluswaternet: Om te kunnen komen tot een goed oordeel dienen gegevens beschikbaar te zijn over de lay-out van het bluswaternet en de diameters van de leidingen.
    1. Gebruik van het bluswaternet: De inrichting dient aan te geven of het bluswaternet alleen gebruikt wordt voor het leveren van bluswater of dat het ook gebruikt wordt voor andere doeleinden.

Afhankelijk van de wijze waarop het bedrijf invulling heeft gegeven aan de bovenstaande criteria en informatie-eisen kan het bestuur besluiten in te stemmen met het verlagen van de spoelfrequentie van het bluswaternetwerk. De laagst mogelijke toegestane frequentie is eenmaal per drie jaar.

Bijlage 3:

Specifieke eisen over actuele informatie verplichtingen van de inrichting tijdens een inzet van de overheidsbrandweer op het terrein van de inrichting (Voorschrift 10.1)

De exploitant draagt er zorg voor dat de brandweer van de overheid en de door een derde partij verzorgende bedrijfsbrandweerploeg voor elke installatie binnen de inrichting direct toegang heeft tot ten minste de volgende actuele gegevens van de binnen de installatie aanwezige gevaarlijke stof of gevaarlijke stoffen en stoffen die op basis van aard en hoeveelheid een risico vormen:

  • de chemische stofnaam of handelsnaam;
  • de maximaal aanwezige hoeveelheid;
  • het CAS-nummer;
  • het VN-nummer;
  • het GI-nummer;

Indien de bovenstaande gegevens voor de aanwezige gevaarlijke stoffen niet bestaan dan moeten ten minste actuele gegevens beschikbaar zijn over;

  • de chemische stofnaam of handelsnaam;
  • de maximaal aanwezige hoeveelheid;
  • het gevaar voor een explosie;
  • het gevaar voor brand;
  • het gevaar voor een toxische wolk;

Bijlage 4:

Afgeleide frequenties voor onderhoud, inspecties en testen van schuimblusinstallaties (Voorschrift 4.14)

NFPA-11 Standard for Low-, Medium-, and High-Expansion Foam

Chapter 12 Maintenance

12.1 Inspection, Testing, and Maintenance.

12.1.1   At least annually, all foam systems shall be thoroughly inspected and checked for correct operation.

12.1.2   The inspection shall include performance evaluation of the foam concentrate or premixed solution quality or both

12.1.3   Test results that deviate more than 10 percent from those recorded in acceptance testing shall be discussed immediately with the manufacturer.

12.1.4   The goal of this inspection and testing shall be to ensure that the system is in full operating condition and that it remains in that condition until the next inspection.

12.1.5   The inspection report, with recommendations, shall be filed with the owner.

12.1.6   Between the regular service contract inspections or tests, the system shall be inspected by competent personnel following an approved schedule.

12.2 Foam-Producing Equipment.

12.2.1   Proportioning devices, their accessory equipment, and foam makers shall be inspected.

12.2.2   Fixed discharge outlets equipped with frangible seals shall be provided with inspection means to permit maintenance and for inspection and replacement of vapor seals.

12.2.3   Compressed Air Foam-Producing Equipment.

12.2.3.1 Compressed air foam-generating equipment and accessories shall be inspected annually.

12.2.3.2 Discharge devices shall be visually inspected annually for evidence of mechanical damage.

12.3 Piping.

12.3.1   Aboveground piping shall be examined to determine its condition and to verify that proper drainage pitch is maintained.

12.3.2   Pressure tests of normally dry piping shall be made when visual inspection indicates questionable strength due to corrosion or mechanical damage.

12.3.3   Underground piping shall be spot-checked for deterioration at least every 5 years.

12.4      Strainers. Strainers shall be inspected in accordance with manufacturer’s instructions and shall be cleaned after each use and flow test.

12.5      Detection and Actuation Equipment. Control valves, including all automatic and manual-actuating devices, shall be tested at regular intervals.

12.6 Foam Concentrate Inspection,

12.6.1   At least annually, an inspection shall be made of foam concentrates and their tanks or storage containers for evidence of excessive sludging or deterioration.

12.6.2   Samples of concentrates shall be sent to the manufacturer or qualified laboratory for quality condition testing.

12.6.3   Quantity of concentrate in storage shall meet design requirements, and tanks or containers shall normally be kept full, with space allowed for expansion.

12.7 High-Pressure Cylinders.

High-pressure cylinders used in compressed air foam systems shall not be recharged without a hydrostatic test (and remarking) if more than 5 years have elapsed from the date of the last test. Cylinders that have been in continuous service without discharging shall be permitted to be retained in service for a maximum of 12 years, after which they shall be discharged and retested before being returned to service.

12.8 Operating Instructions and Training.

12.8.1   Operating and maintenance instructions and layouts shall be posted at control equipment with a second copy on file.

12.8.2   All persons who are expected to inspect, test, maintain, or operate apparatus shall be thoroughly trained, and training shall be kept current.

Annex D Tests for the Physical Properties of Low-Expansion Foam

Eisen inspectie, test en onderhoud low expansion foam systemen

Wekelijks
ItemActiviteitNormTabelParagraaf
Regelklep (verzegeld)InspectieNFPA-2513.1.1.213.3.2.1
 
Maandelijks
ItemActiviteitNormTabelParagraaf
Regelklep – (gesloten)InspectieNFPA-2513.1.1.213.3.2.1.1.
Regelklep – (sabotage schakelaars)InspectieNFPA-2513.1.1.213.3.2.1.1
Discharge device (spray nozzle) locatie en positieInspectieNFPA-2511.1.1.211.2.5
Proportioning systeem – allenInspectieNFPA-2511.1.1.211.2.9
 
Driemaandelijks
ItemActiviteitNormTabelParagraaf
SVM filter(s)*InspectieNFPA-2511.1.1.211.2.7.2
SVM filter(s)*OnderhoudNFPA-2511.1.1.2Sectie 11.4
Waterzijdige equipmentInspectieNFPA-2511.1.1.211.2.1
Waterzijdige equipment (water motor gongs, etc.)TestNFPA-2511.1.1.211.3.1.3
 
Halfjaarlijks
ItemActiviteitNormTabelParagraaf
Regelklep – (sabotage schakelaars)TestNFPA-2513.1.1.213.3.3.5
 
Jaarlijks
ItemActiviteitNormTabelParagraaf
Bovengrondse leidingenInspectieNFPA-1112.3.1
Compleet schuim-water systeemInspectieNFPA-1112.1.1
Regelklep – positie en werkingTestNFPA-2513.1.1.213.3.3.1
Schuimvormend middel (SVM)TestNFPA-1112.1.2
PremixTestNFPA-11 12.1.2
Discharge device locatie & positie (sprinklers)InspectieNFPA-2511.1.1.211.2.5
Proportioning systeem – allenTestNFPA-2511.1.1.211.2.9
Filters – mainline *OnderhoudNFPA-1111.1.1.2Hfdst. 10
Waterzijdige regelkleppenOnderhoudNFPA-2513.1.1.213.3.4
Systeem actuators (automatisch en handmatig)TestNFPA-2511.1.1.211.3.4
 
5-jaarlijks
ItemActiviteitNormTabelParagraaf
Ondergrondse leidingenInspectieNFPA-1111.3.3.
 
Groot onderhoud
ItemActiviteitNormTabelParagraaf
Complete schuim-water systeemTestA.B. 5.7 

*Eveneens na elke test c.q. gebruik.

Hoewel de eisen van NFPA-25 voor inspectie, testen en onderhoud van schuim-deluge en schuim-sprinkler systemen niet specifiek voor low expansion foam systemen gelden, maken deze systemen vaak gebruik van dezelfde soorten doseer-en regelapparatuur. Daarom worden de vereisten van NFPA-25 in het onderhoudsprogramma voor Low Expansion Foam Systemen geïntegreerd.

Bijlage 5:

Beoordelingsrapportage Bedrijfsbrandweerrapport

Het beoordelingsrapport is als los document meegezonden met deze aanwijsbeschikking.

Bijlage 6:

Bedrijfsbrandweerrapport Nouryon Chemicals B.V.

Het bedrijfsbrandweerrapport is als los document meegezonden met deze aanwijsbeschikking.


[1] Veiligheidsregio Groningen (2018). Aanwijsbeleid Bedrijfsbrandweren. Versie 1.0, d.d. 22-06-2018

[2] De rapportage van genoemde ambtelijke analyse is als bijlage toegevoegd aan dit besluit.

[3] Zie voor openbare veiligheid de nota van Toelichting op het Besluit veiligheidsregio’s, Stb. 2010, 255, p. 57.